Winst op papier, afwijzing bij de bank
Een ondernemer met een goed gevuld orderboek, groeiende omzet en een positief resultaat vraagt een investeringslening van € 350.000 aan. Na weken komt het bericht dat de kredietcommissie niet akkoord gaat. Voor de ondernemer voelt dat willekeurig: de jaarrekening is door een accountant samengesteld, het eigen vermogen is positief en er is onderpand.
Het verschil zit in de vraag die elke partij stelt. De jaarrekening laat zien welk resultaat het bedrijf vorig jaar heeft gemaakt. De kredietbeoordelaar wil weten hoeveel geld er de komende jaren overblijft om rente en aflossing te betalen, ook als het tegenzit. Die vraag beantwoordt hij met de Debt Service Coverage Ratio (DSCR): de vrije kasstroom gedeeld door de jaarlijkse schuldendienst. Bij een samenstellingsverklaring komt daar nog bij dat de accountant geen zekerheid geeft over de cijfers. De bank moet ze dus zelf op betekenis toetsen.
In onze praktijk zien we dat dossiers daarbij vaak stranden op vier punten die met voorbereiding te voorkomen zijn.
1. EBITDA is nog geen afloscapaciteit
De meest gemaakte fout is de gerapporteerde EBITDA overnemen als maatstaf voor wat het bedrijf kan aflossen. Een kredietbeoordelaar normaliseert eerst.
Een veelvoorkomende correctie is de beloning van de dga. Veel dga's keren zichzelf het normbedrag van de gebruikelijkloonregeling uit, in 2026 € 58.000. Kost een externe directeur voor dezelfde functie € 120.000, dan rekent de bank met dat bedrag. De EBITDA is voor de bank dus € 62.000 lager dan op papier.
| Post | Jaarrekening | Na normalisatie door de bank | Toelichting |
|---|---|---|---|
| EBITDA | € 210.000 | € 210.000 | Vertrekpunt |
| Correctie dga-beloning | — | − € 62.000 | Van € 58.000 naar een marktconforme € 120.000 |
| Eenmalige boekwinst op verkoop machine | — | − € 28.000 | Komt niet terug |
| Genormaliseerde EBITDA | — | € 120.000 | Tussentelling na operationele correcties |
| Vervangingsinvesteringen | — | − € 35.000 | Nodig om het machinepark op peil te houden |
| Vennootschapsbelasting | — | − € 12.000 | Aanname voor dit rekenvoorbeeld |
| Mutatie werkkapitaal | — | € 0 | Aanname: stabiele omzet |
| Kasstroom beschikbaar voor schuldendienst | € 210.000 (Boekhoudkundig) | € 73.000 | Werkelijke afloscapaciteit per jaar (basis voor DSCR) |
Het effect op de kredietaanvraag
Stel dat de gevraagde financiering een schuldendienst van € 95.000 per jaar vraagt. Op basis van de EBITDA lijkt dat ruim haalbaar. Na normalisatie is de DSCR 0,77: de kasstroom dekt de rente en aflossing niet. Wie deze berekening zelf maakt voordat het dossier de deur uitgaat, kan de aanvraag nog aanpassen, bijvoorbeeld met een lager bedrag, een langere looptijd of meer eigen inbreng.
2. Een goede jaar-DSCR verbergt seizoenstekorten
De tweede fout is de DSCR alleen op jaarbasis berekenen. Stel dat de verwachte jaarkasstroom € 150.000 is en de schuldendienst € 100.000. Dat geeft een DSCR van 1,50, ruim boven de ondergrens van 1,25 die veel banken hanteren.
Het jaartotaal laat alleen niet zien wanneer het geld binnenkomt. In de bouw, de groothandel of de agrarische sector bouwt de voorraad zich vaak in het voorjaar op, terwijl klanten pas later betalen. Een bedrijf met een jaar-DSCR van 1,50 kan dan in april en mei een tekort van € 45.000 per maand hebben (fictief voorbeeld).
Een liquiditeitsprognose per maand over twaalf maanden laat zien of het bedrijf in elke maand binnen zijn rekening-courantlimiet blijft. Banken vragen daar steeds vaker om bij ondernemingen met duidelijke seizoenspatronen. Lever hem mee, ook als er niet om gevraagd wordt.
3. Onderpand is geen terugbetalingsbron
“Maar de bank loopt toch geen risico? Ze krijgt een eerste hypotheek op het pand en een pandrecht op de debiteuren.” Die redenering horen adviseurs vaak, en ze gaat voorbij aan hoe een bank kijkt.
De bank onderscheidt twee bronnen:
- Primaire bron: De vrije kasstroom uit de normale bedrijfsvoering. Hieruit moeten rente en aflossing worden betaald. Is deze niet overtuigend, dan helpt extra onderpand zelden.
- Secundaire bron: Wat de zekerheden opleveren als het misgaat, na afwaarderingen en kosten van executie of faillissement. Deze bron beperkt het verlies bij wanbetaling (Loss Given Default), maar is geen reden om te financieren.
Toezichtkaders en zekerheden
De EBA-richtsnoeren voor kredietverlening en -monitoring (EBA/GL/2020/06) vragen van banken dat de kredietwaardigheidsbeoordeling zich richt op het vermogen van de klant om zijn verplichtingen na te komen, en niet overwegend op de waarde van zekerheden. Een dossier dat vooral op onderpand leunt, sluit daar niet op aan.
4. Geen samenvatting op de eerste pagina
Een kredietbeoordelaar heeft beperkte tijd per dossier. Een bundel losse aangiftes, jaarrekeningen, offertes en een ondernemingsplan van vijftig pagina's dwingt hem zelf te zoeken naar de cijfers die ertoe doen. Dat vertraagt de behandeling en vergroot de kans op vragen of een afwijzing.
Zet daarom op de eerste pagina een beslissamenvatting met de kerngegevens van de aanvraag. Een voorbeeld:
Benoem de risico's zelf
Een kredietbeoordelaar moet de bank beschermen tegen verlies. Een dossier dat geen enkel risico noemt, wekt eerder wantrouwen dan vertrouwen. Beter werkt het om de belangrijkste risico's zelf te benoemen en bij elk risico te laten zien wat het beperkt.
Tot slot
Het gaat er niet om dat elk risico verdwijnt. De beoordelaar moet zien dat je het hebt gezien en dat er een antwoord op is.
De kans op een ja hangt voor een groot deel af van de vraag of het dossier de bank dezelfde berekening laat zien die de bank zelf gaat maken. Een genormaliseerde kasstroom, een liquiditeitsprognose per maand, een eerlijke scheiding tussen kasstroom en zekerheden en een heldere eerste pagina maken dat verschil. Dat is werk, maar het is werk dat je beter vooraf doet dan na een afwijzing.